Home - voorpagina Geschiedenis van Farmsum Farmsum in 1940-1945 Oude foto's van Farmsum Klankbordgroep Farmsum Contact
Hoofdmenu geschiedenis
Voorpagina
Geschiedenis
Ons Dorp
Het Gericht
De Borg
Bevolking
Kerkelijke indeling
Het kerkgebouw
Diverse
Straten van Farmsum.
Fretmarashem/ Farmsum.
De molen ”Koveltimp”.
Tweelingvesting

VAN FRETMARSHEM TOT FARMSUM

Bron: Jubileumboek Ripperdaborg Door Piet Franke & Old spellings of Dutch places


Omstreeks het jaar 1000 spreekt men voor het eerst van het dorp Farmsum: "Fretmarashem". In het jaar 1228 was er sprake van ' Fermeshem'. Aan het einde van de 14de eeuw wordt de naam als 'Fyrmesen' geschreven en nog later als 'Fermissum' en Farremsem'. De rechtspraak was in handen van de Ripperda's, de bewoners van de borg.

De borg in farmsum

In ongeveer 1270 wordt het steenhuis genoemd. In 1323 wordt de naam Ripperda aan het huis gekoppeld. In 1681 is er sprake van een borg met met een schathuis en traptoren, paardenstal, brouwhuis en 62 grazen land.
In 1745 wordt het interieur van het huis beschreven: een blauwe, een rode en een groene kamer, een klein kamertje, een grote zaal, een voorhuis een voorkamer, een keuken en een kamer daarnaast, een slaapkamer, gang en eetkamer enz. Poort, brouwhuis, koetshuis, schuur, provisiekamer en zolders completeren het beeld. In 1811 wordt het geheel afgebroken. Bewoners Tot 1681 wordt het huis bewoond door de familie Ripperda. Een eeuw lang bleef het huis van de familie Rengers. Vanaf 1246 wordt in een oorkonde, die trouwens niet als echt erkend wordt, Hayo Ripperda van Farmsum genoemd. Vanaf Unico Ripperda, die in verschillende oorkonden van 1375-1400 wordt genoemd, is het geslacht te volgen. Hij kan dan ook als de stamvader van de Ripperda’s worden genoemd.


De Farmsumer Borg en haar bewoners.


In 1687 werd de borg Farmsum, die eigenlijk maar in handen van twee families is geweest, verkocht en kon men uit de verkoopbrief lezen: "De borch tot Farmsum uit het water opgetimmerd met het schathuis en toorn an de sijdt, met graften, bomen en plantagien en appelhof groot omtrent 12 grassen, met een groot keukehof met 40 grasen en 46 deimtes landes. De staende jurisdictie so civile als criminele over 5 dorpen als Farmsum, Weywart, Heveskes, Oterdum en Mithuisen, over welke 5 dorpen de coper de kerkvoogden alleen kan stellen, welcke ook rekenige an hem moeten doen. Het recht van unicus collator tot Farmsum, Oterdum en Mithuisen. Het Dijckgraaffschap over zee- en somerdij ken, waaronder verscheidene carspelen behoren. Het overste scepperschap van Farmsumerzijl, ses dijckrechter-eeden tot Farmsum, een dijckrechterseed tot Weywart en Collatie, het recht van een uitmijnder te mogen stellen, enige gestoelten en alle graven op 't choor in de kerke te Farmsum. "

Uit deze opsomming blijkt wel duidelijk, dat de heren van de borg te Farmsum zo in de loop der tijden machtige heren waren geworden en veel hadden te zeggen in het dagelijkse bestel van hun onderhorigen. De eerste heer op deze borg, dat eigenlijk wel een kasteel mag worden genoemd, was Unico Ripperda.

Deze was de eerste die in authentieke oorkonden werd vermeld. Toch was deze heer niet bepaald gelukkig. Het was vroeger net als nu: er werd wel eens op het verkeerde paard gewed. Dat deed Unico Ripperda, toen hij zich schaarde aan de zijde van de Vetkopers, die de Ommelanden aan Albrecht van Beieren had opgedragen. Een van zijn wonderlijke daden was, om op zijn slot te Farmsum een legertje van 400 zeerovers onder te brengen. Dat waren de zogenaamde Victaliebroeders of Likedelers. Dit waren zeerovers die in 1399 door de Hanzestaten en de koning van Denemarken waren verdreven en toen waren uitgeweken naar de Noordzee, de Eems en de Lauwerszee. De eigenaardige naam hadden ze gekregen, toen zij in 1393 het belegerde Stockholm van victalie hadden voorzien.

Als bondgenoten kregen zij naast zich verschillende Oostfriese heren, die hierdoor niet bepaalt armer werden. "Crime does not pay", dat geldt nog altijd. Ook voor de Victaliebroeders kwam het einde, toen zij in 1401 het onderspit moesten delven tegen de Hanze en eenvoudig vernietgd werden. Het samenwerken van Unico Ripperda, heer van Farmsum, met deze zeerovers kwam hem dan ook duur te staan. De Groningers die een aanval deden om het roversnest uit te roeien, mochten dan bij de eerste aanval worden afgeslagen, drie dagen later veroverden ze het slot en moest Ripperda het gedogen, dat hij een bezetting van de vijand kreeg. De opvolger van Unico was Hayo. Deze verzette zich tegen het stapelrecht en kwam hierdoor in botsing met de stad Groningen. In 1434 werd de olderman Willem Wicheringe naar Farmsum gezonden, om daar het stapelrecht erkent te krijgen. Deze afgezant werd door de mensen op de borg doodgeslagen en daarmee kreeg Hayo Ripperda temaken met een zeer verbolgen stad die hem tenslotte zo klein wist te krijgen, dat hij op Sint - Laurentiusavond 1434 gedwongen was zich met zij tegenstander te verzoenen. Zijn tegenstanders eiste een boet van 500 arentsgulden en dwong hem de borg open te stellen voor Groningers. Dat het stapelrede gehandhaafd bleef, lag natuurlijk voor de hand. Alle bewoners van de borg Farmsum de revue te laten passeren, zou een boekwerk ten gevolge hebben.

Een enkel voorbeeld, hoe groot de macht van de heren was en hoe die ook wel eens ten koste van het algemene belang in het oog hielden, vormt het relaas van een gebeurtenis uit het leven van Unico Ripperda, hoveling van Oosterwijtwerd, Holwierde en Uitwierde en proost van Farmsum. M , ten Broek schreef in de Groningse Volksalmanak 1936 het volgende interessante verhaal: "Unico Ripperda, de man van Uiske Ukena, was in de Ommelanden een man van betekenis. In het jaar 1473, een jaar voor zijn dood (hij overleed aan de pest) zonden de Stad en Ommelanden een gezantschap naar keizer Frederik die zich in dat jaar te Keulen bevond, om aan deze vorst te verzoeken: de bevestiging der oude vrijheid tegen de aanslagen van den Hertog van Bourgondië, de bekrachtiging der oude verbonden tusschen Stad en Ommelanden voor altijd en de bescherming des rijs tegen geweld. Verder moesten de gezanten onderhandelen over het potessaatschap van Friesland, den gouden muntslag en verheffing van alle raadsleden in den adelstand, aan die Stad door dien keizer aangeboden.
Tot dit gezandschap behoorden, behalve een der Groningsche burgemeesters en de stads-secretaris, de beide Ommelander edelen Unico Ripperda en Johan Rengers. Zij kwamen te Keulen, doch vernamen dat de keizer was vertrokken. Vervolgens reisden zij naar Andernach, waar zij door de vorst werden ontvangen. Zij moesten zich echter tevreden stellen met enige vage beloften. Konden zij dus voor de belangen van hun zenders weinig doen, hun eigen belang wisten zij des te beter te behartigen. Zij wisten namelijk brieven te verkrijgen waarbij hun het rechtsgebied in hun kerspelen de tol en, het recht om gouden munt te slaan, werd verleend. Dat Unico Ripperda ook werkelijk van het verkregen muntrecht gebruik heeft gemaakt, blijkt wel uit een mededeling van den reeds meermalen genoemden kroniekschrijver Harkenroth, die beweert dat hij deze munten gezien heeft.
In 1474 keerden de gezanten naar hun woonplaats terug. Rengers was tijdens hun afwezigheid tot burgemeester van Groningen gekozen. Na hun terugkeer deelden zij den hunner bemoeiingen aan de in de St. alburgskerk te Groningen vergaderde Staten der Ommelanden mee. Over de door hen verkregen voorrechten zwegen de heren natuurlijk. De vergadering hoorde de lezing der stukken bedaard aan, zonder de gezanten te loven of te laken. Waarschijnlijk hebben de heren met hun missie nog een ander voordeeltje behaald. Uit zijn verantwoording bij de Stad en Ommelanden gedaan blijkt dat aan Rengers ook aangeboden was het ridderschap, doch dat hij hiervoor had bedankt en dat de keizer in plaats daarvan hem met voornoemde giften had begunstigd. " Wanner men zoiets leest zou men willen zeggen: "Niets nieuws onder de zon." In 1687 werd het slot verkocht, was de "regering" van de Ripperda's ten einde. Eigenaar werd Ephraim van Wervelde, die de burcht niet lang daarna overdroeg aan Edzar Rengers en Catharine van der Noot. Mocht het slot daarvoor drie eeuwen in handen zijn geweest van de familie Ripperda, daarna was de familie Rengers een eeuw eigenaar. De familie Wervelde heeft een kleine rol in het leven van de Groninger borgheren gespeeld. Zo bijvoorbeeld in die van het Glimmershuis te Woltersum, toen deze bezitting door het huwelijk van Johan van Wervelde met Fouwel Rengers overging in handen van de eerstgenoemde familie en wel tot 1712. Erg veel plezier scheen de nieuwe koper van het huis te Farmsum niet van zijn koop gehad te hebben. Hij kocht het voor f. 31.000,- voor die tijd een grote som - en verkocht het korte tijd daarna met verlies en wel voor f 30.000,- aan Edzar Rengers en Catherina van der Noot, die, gelijk Feith vermeldt, door de burgers van Farmsum met vreugde werden ingehaald. Mocht Edzar Rengers de borg in 1692 hebben gekocht, veel plezier heeft hij ook niet aan zijn aankoop gehad. Hij was heer van Ten Post, Tuinga, Oldenhuis, Boukema en Weiwerd, erfschepper van de Drie Delfzijlen. Hij stierf in 1694. De klokken werden vijf dagen geluid. Zijn stofelijk overschot werd op een slee over het ijs naar Wittewierum vervoerd om daar ter aarde te worden besteld. Het huis werd daarna geërfd door Egbert Rengers, die huwde met Margaretha Bouwina Tjarda van Starkenborgh. Voor dit huwelijk dichtte de schoolmeester van Farmsum, Theodorus Thermoij, een zogenaamde Plichtvers, dat als wijdlopige titel droeg: Pligtvers met welverschuldigde en onderdaenighste eerbied opgedraegen en overhandigt aen de Hoogh Wel Geboren Heer, Mijnheer Egbert Rengers, Heer van Farmsum, Siddebuijren en onderhorige dorpen, mede gedeputeerde Staete van Stadt en Lande etc. etc. ende De Hoogh Wel Geboren Vrouwe, Mevrouw Margrieta Bouwijne Rengers geboren Tjaerde van Starkenborgh, erfdochter van Onstaborgh en Wetsingh, Vrouw van Farmsum, Siddebuijren en onderhorige dorpen etc. etc. etc. Naeclat haer Hoogh Wel Geboren in den eght vereenigt wacren tot Wetsingh op den 27Junius ende pleghtelijk op 't huys tot Farmsum ingetreden op den 3 Julius 1720. "

Het gedicht begon als volgt:
Geen suijvre paerlen vanght men sonder vlijdt;
Geen sterke Burghten wint men sonder strijdt;
't Valt hardt en swaer te krijgen mettertijdt het keurlijk schone
Heer Egbert Rengers geeft nu wars en sat.
Der eensaemheen, bestapt het minnepadt.
Besiet nauwkeurigh Gruno's landt en stadt of daer ook wone
Een, die hij waerdigh aght sijn kuijsche min.
Een trouw beheerster van sijn hert en sin.
Een dierbaer huyscieraed, waer hij sich in verlusten moge

Deze Rengers, heer van Farmsum, breidde zijn macht uit door aankoop of werd machtiger door het erven van bezittingen. Tenslotte was hij eigenaar van Siddeburen, Tuwinga, Tammingahuizen, Baukema te Zeerijp, Oosterwijtwerd, de Onstaborg, Verhildersum en Woltersum. Egbert Rengers werd opgevolgd door zijn zoon Lammert Schotto, die leefde van 1726 tot 1779. Hij had het bijna geheel te zeggen in Fivelgo. In 1766 trouwde hij met Elisabeth Bentinck, die nogal bekendheid kreeg met haar Vrijmoedige Brief aan stadhouder Willem V, waarin zij de ondergang van de wereld voorspelde.Toen Lammen Schotto Rengers in 1799 overleed, werd hij opgevolgd door zijn halfbroer Duco Gerrold, die leefde van 1750 tot 1810. Hij had twee dochters, die getrouwd waren met leden van de familie Hora Siccama en schijnbaar niet op de borg kenden wonen, zodat de weduwe van Duco Gerrold J.G. barones van Iinteloo in 1812 opdracht gaf de borg te slopen. Daarover lezen we in de dorpskroniek van Jacob Vinhuizen een aantal berichten: 1811. Jan. 8. Publieke verkoop van het hoog adellijk huis "de borg Farmsum" te farmsum, binnen de brede gracht met lange brug over gemelde gracht gelegen, alsmede de Friesche schuur en de daarbij staande paardestal en knechtenkamer en poort niet hoge tuinmuur lopende van de schuur tot aan het schathuis. 1812.. maart. 20. Daar sints eenige weken weder een aanvang is gemaakt met het afbreken van de adellijke borg te Farmsum en alzoo daar weder een groote voorraad is van kapitaal glas, deurkozijnen met deuren, zeer goede balken van onderscheidende zwaarten en lengten, benevens 6 gebinten van een kapitale boerenschuur en verder alle goede materialen, als steen, pannen, zoo wel blauwe aIs roode en alles wat verder van zulke afbraak voorkomt, kunnen de koopers alle dagen aan de borg te Farmsum terecht komen en koopen naar hun voordeel. " Was de onttakeling van het borgshof in 1805 begonnen? We lezen: "October 25: Verkoop van 350 stuks extra zware en hooge eiken, beuken alsmede iepen en zeer zwarewalnooten staande in het Borgshof te Farmsum." "November 1. De verkoop van boomen in het Borgshof te Farmsum wegens het slechte weer maar gedeeltelijk zijnde gehouden, wordt om de veelheid der percelen voortgezet." Op 15 januari 1876 werden 150 zware iepen, waaronder 2 esschen, staande op de singels van Borgshof te Farmsum verkocht. Schijnbaar werd alles onttakeld. Maar wel was liet of de familie Rengers landerijen had gehouden, gezien de notitie op 14 jan 1882: "Verhuring door jhr. Mr. J.Rengers Hora Siccama van de tuinen gelegen op Borgshof onder Farmsum, in 30 percelen, het Proostmeer, het Klein Uithuizermeer het jacht en Visrecht. "Hiermee, met bovenstaande feiten, werd een einde van de borg ingeluid. Wanneer men het huidige Borgshof ziet, kan men zich heel moeilijk indenken dat er eens een geslacht van Ommelander edelen regeerde. Nu ziet men scholen waarvan de namen herinnert aan die edelen.


Webdesign en onderhoud: © RealArt Design & Kunstbemiddeling