Home - voorpagina Geschiedenis van Farmsum Farmsum in 1940-1945 Oude foto's van Farmsum Klankbordgroep Farmsum Contact
Hoofdmenu geschiedenis
Voorpagina
Geschiedenis
Ons Dorp
Het Gericht
De Borg
Bevolking
Kerkelijke indeling
Het kerkgebouw
Diverse
Straten van Farmsum.
Fretmarashem/ Farmsum.
De molen ”Koveltimp”.
Tweelingvesting

KERKELIJKE INDELING

Het kerspel Farmsum behoorde vóór de reformatie tot het bisdom Munster en was de hoofdplaats van het dekanaat of proosdij Farmsum. De deken of proost stond rechtstreeks onder het gezag van de bisschop en hij moest er voor waken dat de inwoners van het dekanaat zich als ware christenen gedroegen en geen inbreuk maakten op de kerkelijke voorschriften. De deken had geen gezag over de geestelijken maar alleen over de leken. Het werd daarom regel om gehuwden als deken of proost aan te stellen en maar zelden geestelijken. Dit zogenaamde lekende-kanaat werd door paus Alexander VI in een bul van 1493 bevestigd. De proost sprak recht of hield seend in zijn dekanaat volgens de seendbrief.

De seendbrief van Farmsum dateert van 1325. Het dekanaat Farmsum was een onderdeel van het aartsdekanaat Frisia bewesten de Eems. Het omvatte het oostelijk deel van Fivelgo en de beide Oldambten. Het grensde in het noorden aan de Eems, in het oosten aan de Tjamme hetgeen tevens de grens was met het bisdom Osnabriick, ten westen aan het dekanaat Loppersum, waarvan de grens in het zuiden van de Siepsloot tussen Hellum en Schildwolde door en dan door het Schildmeer naar het noordoosten. Het dekanaat omvatte dertig kerspelen. Zoals alle belangrijke ambten en rechten kwam ook het proostambt aan het einde van de middeleeuwen in handen van de aanzienlijken.

Daar er aan het proostambt belangrijke inkomsten waren verbonden was dit zeer gewild. Tot de inkomsten van de proost van Farmsum behoorden o.a. renten en pachten, het lammergeld en het schoorsteengeld. In 1391 komt Unico Ripperda al voor als hoveling en proost. In 1415 droeg de bisschop van Munster de proosdij van Farmsum erfelijk over aan de Ripperda's.

Kerk vanuit noord-oost gezien pentekening van J. Berghuis, 1854

Zelfs in 1604 dus tien jaar na de reductie van Groningen was de proosdij nog in handen van Ripperda. In tegenstelling tot de goederen van de andere proosdijen zijn die van Farmsum nooit aan de provincie gekomen.
Na de reductie in 1594 vormde het westelijk gedeelte van de proosdij een classis van de hervormde kerk. Farmsum was nu niet langer de hoofdplaats. De zetel van de classis kwam in Appingedam, aan deze plaats ontleende de classis dan ook de naam, men sprak van Classis Dammonensis of de Classis Appingedam.

Binnen de classis behoorde Farmsum aanvankelijk tot de ring Appingedam en later tot de ring Delfzijl.

Thans vormt de gecombineerde gemeente Farmsum - OosterhoekMeedhuizen weer een onderdeel van de ring Appingedam. In 1968 werd de gemeente Farmsum samengevoegd met de gemeente Oosterhoek- Meedhuizen. Oosterhoek was een eerdere samenvoeging van Weiwerd, Heveskes en Oterdum.

Het kerspel Farmsum grensde in het noorden aan de kerspelen Uitwierde, Delfzijl en de Eems, in het oosten aan het kerspel Weiwerd, in het zuiden aan het kerspel Meedhuizen en in het westen aan die van Siddeburen en Opwierde. Tot het kerspel behoorden Geefsweer, Amsweer en Tuikwerd. Na de reductie werd in 1595 de voormalige roomse priester Hermannus Mullerus de eerste predikant. In 1603 wordt deze opgevolgd door Hiddo Lamberti Groothusanus. Tijdens zijn ambtsperiode was Farmsum kerkelijk gecombineerd met Meedhuizen. Maar na zijn dood in 1621 werd de combinatie weer ongedaan gemaakt. Van 1621-1647 stond te Farmsum de bekende predikant Patroclus Romeling. Deze maakte een nieuwe berijming van de psalmen, ter vervanging van die van Dathenus. Een door hem gericht verzoek aan de provinciale synode om deze berijming in te voeren, werd beantwoord met de mededeling dat dit een zaak voor de nationale synode was. Waarna er niets meer van gehoord wordt. De collatierechten van Farmsum behoorden vanouds al aan het geslacht Ripperda. Hoe de Ripperda's aan deze rechten gekomen zijn is niet duidelijk. Zelf hebben ze in de vijftiende eeuw oorkonden overlegd uit 1237 en 1246, waarbij Ludolphus, bisschop van Munster het collatierecht van de kerken van Farmsum, Weiwerd, Heveskes, Oterdum en Meedhuizen aan de Ripperda's schonk.

Deze oorkonden blijken vervalsingen te zijn, maar in ieder geval bezaten de Ripperda's deze rechten dus al in de vijftiende eeuw. Het bezit van deze rechten doorstond de hervorming zodat zij ook daarna het recht hadden om een predikant in deze dorpen te benoemen. Samen met de borg werden deze rechten verkocht aan de familie Rengers. Door vererving kwamen ze in handen van de familie Hora Siccama. Daar alle collatierechten in één hand waren en de leden van• de adelijke familie dus 'unicus collator' waren konden zij alleen beslissen over vele kerkelijke zaken. Dat dit vaak wrijving gaf met de gemeenteleden is niet te verwonderen. Ook op het gebied van het onderwijs, hetgeen een kerkelijke zorg was, had de unicus collator het laatste woord.

Nieuwe schoolmeesters moesten dan ook aan hem hun sollicitaties richten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het bericht van 3 februari 1809 in de krant, waarin staat dat 'door het overlijden van schoolmeester H. Westendorp, de plaats vacant is. Het jaartractement bedraagt 20 gulden met vrije woning en het gewone schoolgeld. Solliciteren bij de unicus collator Rengers van Farmsum. 'Deze schoolmeester Westendorp was de vader van de later zo bekende dominee Nicolaas Westendorp (17731836) die zich sterk interesseerde voor de geschiedenis van het eigen gewest.

In 1886 verkocht de collator Johan Rengers Hora Siccama de collatierechten, zijn gestoelte in de kerk en enige andere rechten aan de kerkvoogdij voor een bedrag van f.5500,-. Vanaf dat jaar kon de kerk van Farmsum, dus de gemeente zelf over deze zaken beslissen. Een uitvloeisel van de collatierechten was dat de unicus collator het toezicht had op het beheer van de kerkelijke goederen. De kerkvoogden moesten van hun werkzaamheden rekening en verantwoording afleggen aan de collator, die deze rekeningen in de 18e eeuw in bijwezen van de predikant en de geconstitueerde richter 'afhoorde'. Hieruit blijkt wel dat de kerkelijke gemeente met handen en voeten gebonden was aan de collator.

Webdesign en onderhoud: © RealArt Design & Kunstbemiddeling