UIT DE GESCHIEDENIS VAN FARMSUM EN ZIJN KERK
Farmsum is ontstaan in het open, onbedijkte kwelderland. Wanneer de eerste bewoners zich in deze streek vestigden valt moeilijk te zeggen. Evenmin is het zeker of er vanaf de eerste nederzetting permanent bewoning geweest is. De vestiging zal vermoedelijk in de ijzertijd (600v. Chr.-0) plaatsgevonden hebben en wel op een van nature hoger gelegen plaats, een oeverwal of een kwelderrug. Farmsum is een onderdeel van de wierdenreeks Farmsum, Weiwerd, Heveskes, Oterdum, Termunten, Pogum, Ditzum, Hatzum, Critzum, Jemgum en Bingum waarbij de wierden tussen Termunten en Pogum door de inbraken van de zee (Dollard) weggespoeld zijn. Bij het stijgen van de waterspiegel was het noodzakelijk geworden om de grond te verhogen. Een kunstmatige heuvel, de wierde, ontstond. Vaak in eenmaal opgeworpen maar door het afval van de bewoning in de loop der eeuwen aanzienlijk vergroot. Hierdoor groeiden soms meerdere kleine wierden aaneen zoals ook bij Farmsum. De veiligheid van de bewoners nam echter steeds af door de voortgaande stijging van het zeeniveau.
Vanaf het einde van de tiende eeuw begon men dan ook hier en daar, zij het op gebrekkige wijze, met de bedijking. Een werk van grote omvang dat met de toenmalige middelen en geringe mankracht een haast bovenmenselijke taak was. In de loop van de dertiende eeuw kreeg de bedijking een min of meer definitieve vorm. Voor het gebied rond Farmsum waren de dijk langs de Eems en de zuidelijke dijk langs de Delf van grote betekenis. De Delf, die van Muda bij Garrelsweer tot de zee gegraven was, stond in open verbinding met de zee. Toen de sluis van Muda naar het huidige Delfzijl verplaatst was, werd de zuidelijke dijk van de Delf een slaperdijk. Zwaar en sterk waren de dijken zeker niet en herhaaldelijk braken ze door. Bij de watervloed van 1248 bijvoorbeeld brak het water de Delf in en doorbrak de slaperdijk langs de Delf, waardoor het hele gebied rond
Farmsum overstroomde. Het bedijkte gebied van Farmsum waterde af op de Eems door de Farmsumerzijl in de Eemsdijk. De afwatering geschiedde door het Farmsumermaar dat ten oosten van Meedhuizen ontstaan was in het Kleine Meertje. Vanuit dit meertje liep het maar in noordelijke richting naar en door Farmsum naar de zeedijk.
Vanuit het oosten liep het Weiwerdermaar, even voor Farmsum, in het Famsumermaar. Uit het zuiden verzorgde het Wagenborger- of Stinkvaarstermaar de aanvoer van het overtollige water. Het hele gebied dat door de Farmsumerzijl afwaterde heette het Farmsumerzijlvest. In een oorkonde van 1306 wordt vermeld dat Farmsum, Geefsweer, Opwierde, Meedhuizen en Tuikwerd tot dit zijlvest behoorden.
Thiade en Ludolphus, de pastoors van Farmsum en Weiwerd geven n.l. op 13 mei 1306 een verklaring over de verplichting van deze dorpen om de Farmsumerwaterloop te herstellen. In het noorden werd het zijlvest begrensd door de zuidelijke dijk van het Damsterdiep (voorheen de Delf) en de dijk langs de Eems, in het oosten door de scheiding tussen Geefsweer en Weiwerd, in het zuiden van Schaapbulten over Tjuchem naar Steendam en in het westen door de Woldweg. In 1306 werd Weiwerd toegelaten en werd de Kaaienlaan de oostgrens. Opwierde, Eelwerd en een deel van Amsweer kwamen echter bij het Dorpsterzijlvest. Het noorden van het gebied van Wagenborgen kwam in 1471 bij het Farmsumerzijlvest. In 1574 sloten het Farmsumerzijlvest en het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen een overeenkomst waardoor het de Farmsumers werd toegestaan om op eigen kosten een schipsloot te graven van het Damster-diep tot aan het Farmsumerdiep ten behoeve van de scheepvaart. Hiervoor moesten zij een til en een schotdeur in de (zuidelijke) dijk langs het Damster-diep aanbrengen en onderhouden. De schotdeur moest steeds gesloten blijven en mocht alleen bij de doorvaart van een schip even geopend worden. In 1753 is dit verbindingskanaal de hoofdafwatering geworden. In dat jaar werd de oude Farmsumerzijl in de Eemsdijk dichtgemaakt. |